maandag 11 april 2016

feedback league of innovators

BIJLAGE 1: Beoordelingskader LA4 Toekomstbeeld 2030 “Challenge Day”

Naam feedbackgever: Dick Mans
Naam feedbackontvanger: League of innovators:


LEVELS Challenge Day, criteria ter beoordeling van de PI’s

PI
Level dummy
Level advanced
Level expert

Participeren in (landelijke/regionale) onderwijsinnovatie-trajecten
Niet of incidenteel ben je betrokken in landelijke of regionale onderwijsinnovatieprojecten; je neemt deel zonder duidelijke inbreng (kenmerken: observerend; verkennend)
Je maakt deel uit van landelijke of regionale onderwijsinnovatieprojecten; je toont een actieve deelname aan bv. door inbreng in discussies of agendapunten (kenmerken: actief, inbrengend; reagerend)
Je bent invloedrijk in landelijke of regionale onderwijsinnovatieprojecten (kenmerken: invloedrijk; medevormgever; initiatiefnemer)

Betrekken, waar nodig, van relevante externen (buiten MLI of eigen organisatie) bij onderwijsontwikkeling

Geen of via externen informatie vergaren (bv door het lezen van informatie, het bijwonen van lezingen)

Interactie met externen, gericht op het delen van ideeën (bv door dialoog/discussie) leidend tot vervolgactie m.b.t. het eindproduct

Intensieve interactie met externen, gericht op co-creatie (bv concretiseren van ideeën in een product), leidend tot vervolgactie bij de ander
(bv aan te tonen door aanwezigheid van externe tijdens Challenge Day)
Over de grenzen van het eigen vakgebied (context) heen kijken.
Je laat geen of een beperkt beeld van de eigen context zien.
Het beeld richt zich deels op de eigen context.
Kijkt daadwerkelijk over de grenzen van de eigen context heen.
Overzien en beoordelen van de consequenties van (voorgestelde) ontwikkelingen voor de (onderwijs)praktijk van collega’s en hen hierin ondersteunen
Er ontbreekt een logische redeneerlijn t.a.v. de beoordeling van consequenties van ontwikkelingen voor de onderwijspraktijk en ondersteuning van collega’s.
Er is sprake van een logische redeneerlijn t.a.v. de beoordeling van consequenties van ontwikkelingen voor de onderwijspraktijk en ondersteuning van collega’s.
Er is sprake van een logische redeneerlijn t.a.v. de beoordeling van consequenties van ontwikkelingen voor de onderwijspraktijk en ondersteuning van collega’s. Hierbij wordt een meervoudig perspectief gehanteerd.
Vertaling van visie op de relatie tussen onderwijs en maatschappelijke ontwikkelingen naar een concreet toekomstbeeld voor de school
De geschetste scenario’s overlappen elkaar en zijn niet onderscheidend ten opzichte van elkaar.
De geschetste scenario’s zijn onderscheidend ten opzichte van elkaar. De vier scenario’s zijn verschillend uitgewerkt, niet  consequent vanuit dezelfde onderliggende redenering.
De scenario’s zijn verschillend uitgewerkt vanuit eenzelfde onderliggende redenering.  De keuze voor het meest gewenste toekomstscenario is gebaseerd op een onderbouwde afweging tussen de vier scenario’s.
Ontwikkeling van visie op onderwijs waarbij verschillende
perspectieven, ontwikkelingen en trends (toekomstgericht) worden meegenomen
Je bent in staat de grenzen van de maatschappelijke opdracht van de sector te onderbouwen/ beargumenteren
Er is geen sprake van een duidelijke afbakening van de maatschappelijke opdracht
De maatschappelijke opdracht is afgebakend, de grens is beschreven
De bijdrage van het onderwijs is gepositioneerd ten opzichte van andere actoren in het maatschappelijke veld
Lef om buiten de kaders te denken en  niet alleen vanuit de comfort zone te redeneren
Je blijft sterk binnen de (veilige) kaders van de bestaande onderwijsontwikkeling.
Je raakt grenzen van de huidige kaders, of overschrijdt deze net. Dit komt bijvoorbeeld wel in de vormgeving van het beeld maar nog niet in de onderbouwing naar voren
De visualisatie van het toekomstbeeld is gebaseerd op vernieuwende concepten of concepten vanuit andere disciplines
Presentatie op een inspirerende wijze met als effect dat luisteraars geboeid raken door het onderwerp
De presentatie is statisch, deelnemers worden nauwelijks betrokken
De presentatie is dynamisch en interactief. Deelnemers leveren een bijdrage of worden betrokken
De presentatie is dynamisch en interactief. Deelnemers participeren actief in de presentatie (bv via dialoog) en geven input (bv via feedback)
Algemene opmerking/ indruk:
Leuke uitwerking van de scenario’s, herkenbare aanpak van de vier “gebieden”. Innovatief en ook heel gericht geschreven vanuit het standpunt van de lerende. De verschillende onderwijs niveaus komen iets minder sterk naar voren, maar ik vind de uitspraken van de lerende per scenario weer heel erg mooi. De visualisatie is erg mooi, en ook heel herkenbaar bij de scenario’s.
Bij de presentatie is de film aan het begin heel erg mooi en ook heel erg duidelijk: dat is de toekomst.
Door de verdeling in drie groepen is er ruimte voor interactie per groep. Zorgt wel weer dat de interactie tussen de drie groepen wat minder gemakkelijk is. De toelichting is helder, het reageren wordt uitgedaagd. Wel is de visualisatie per onderdeel: een soort poster, minder mooi dan het filmpje zou laten verwachten. Had wellicht meer in gezeten. Het weer bij elkaar brengen is een goede keuze, men kon actief zijn. Tijdgebrek was wat jammer voor de feedback.
Al met al, de tijd vloog om, met prachtige opening, goede interactie en weer bijeenbrengen van de gehele groep. Mooi en leuk gedaan.



maandag 29 februari 2016

SWOT analyse, individuele quest 3

Daar is die dan, mijn SWOT analyse.
Met ank voor de feedback van Mijke, Marjolein, Daniëlle en Peter.
De opmerkingen van Mijke en Marjolein zijn verwerkt.

SWOT analyse van Fontys HRM, aangepast na feedback, versie 27 feb.

Om een scenario verder uit te werken, is de keuze gevallen op scenario 1: binnen school, autonoom.
In 2030 zijn er grote campussen met scholen, bedrijven, instellingen, instituten, hotels en woningen. Hier wordt onderwijs verzorgd maar met een zeer grote mate van zelfsturing en autonomie voor de lerenden. De kennismaatschappij is een feit en daarmee ook de aandacht voor de individuele ontplooiing en ontwikkeling, onder andere in de al in 2014 genoemde 21st century skills. Technologische ontwikkelingen hebben geleid tot vergaande digitalisering van allerlei systemen en ook van social media. Demografische ontwikkelingen hebben geleid tot afname van jongeren, maar door de lange levensduur ook tot zeer lange loopbanen. Diploma’s zijn verdwenen, daar zijn portfolio’s voor in de plaats gekomen. Hieronder wordt dit scenario voor de hbo opleiding Fontys HRM, nader uitgewerkt.

Strengths (Sterktes):
In een situatie waarin leren sterk autonoom gestuurd is, wordt er bij de opleidingen meer gevraagd op het gebied van coaching en begeleiding dan op de kennisontwikkeling. Momenteel richt Fontys HRM zich op de “economie van het geluk”, gericht op zelfontwikkeling en ontplooiing in plaats van (economische) vakkennis, zoals bij veel andere HRM opleidingen gebeurd. Juist de eigen ontwikkeling van de studenten is een kernpunt in het onderwijs van Fontys HRM. Docenten hebben hier al veel expertise in en ervaring mee. Daarmee heeft Fontys HRM een voorsprong op andere opleidingen die straks zullen fuseren tot één grote schoolcampus. Die voorsprong kan ook worden ingezet als voorbeeld en als kartrekker in het ontwikkelen van een campus waarin deze gedachte, die aansluit bij de 21st century skills en leven lang leren, tot uiting komt. Daarmee kan zowel de werkgelegenheid van de docenten als de eigen cultuur van Fontys HRM gewaarborgd worden. Vanuit zijn kennis en positie kan de MLI’er in deze ontwikkelingen een liaison rol vervullen en hij kan optreden als vertegenwoordiger van Fontys HRM in onderhandelingen bij fusies, verhuizingen en het opzetten van programma’s.

Momenteel is er binnen Fontys HRM bij de meeste docenten zeer veel kennis aanwezig over coaching, begeleiding en ook over loopbaanontwikkeling in een cultuur die zich al richt op leven lang leren. Hiermee onderscheidt Fontys HRM, samen met de AMA in Deventer, zich nadrukkelijk positief van andere hogescholen. Deze expertise zal meer en meer nodig zijn in een autonome leeromgeving, waarbij de lerende zelf de route bepaald. Maar daar wel de nodige ondersteuning bij nodig heeft. Daarmee is het voortbestaan voor de kern van de opleiding gegarandeerd, weliswaar in een andere constructie, maar wel met een aantal van de huidige docenten. De MLI’er kan hier de rol van begeleider van de verdere ontwikkeling en professionalisering van het docentencorps op zich nemen.

De grote verscheidenheid aan organisaties en instituten schept mogelijkheden voor docenten om zich niet alleen op onderwijs, in alle facetten, maar ook met daadwerkelijke toepassingen bezig te houden. Fontys HRM staat nu al open voor het werkveld en richt zich op nauwe samenwerking en co-creaties van het onderwijs. Die cultuur is een voorspong wanneer deze mogelijkheden nog meer worden aangeboden. Fontys HRM staat er in 2016 al voor open. De toekomstige campus schept de mogelijkheid om op flexibele en snelle wijze werkenden in de organisaties en instituten in te zetten in het onderwijs. De MLI’er kan hier een voortrekkersrol vervullen bij het ontwikkelen van de combinatie tussen onderwijs en werkveld. Wellicht zelfs het werven en laten vestigen van bedrijven en andere organisaties op de schoolcampus.

Docenten dragen kennis, kunde, ervaring, inzet en verantwoordelijkheid in 2016 al zorg voor een goede en veilige leeromgeving, dit is een positief onderscheid tegenover praktijkleren in het werkveld of individueel leren. Dat is een pluspunt wat ingezet kan worden om de meerwaarde van de schoolcampus te etaleren en het voortbestaan te garanderen. Dit nadrukkelijke pluspunt kan door de MLI’er gemonitord worden en op basis van collegiaal consult met andere docenten zorgdragen voor nadrukkelijke ontwikkeling en borging van dit pluspunt.
Eindhoven is een van de steden waar een grote schoolcampus zal ontstaan, in 2016 ook al vestigingsplaats van Fontys HRM, hiermee is voor de medewerkers al werkzaam in Eindhoven een zekere garantie dat zij niet naar een andere, en verder gelegen campus te hoeven reizen.

Weakenesses (zwaktes)
Zwakte is mogelijk in de opvattingen bij (een deel) van de docenten die vasthouden aan het door het de opleiding bepaalde leerproces in plaats van autonoom leerproces. Er zijn geen gebonden leerroutes meer, maar studenten kiezen hun eigen niveau, hun eigen route en bepalen hun eigen leervraag. Dat vereist van docenten, studenten loslaten in gebondenheid. Niet iedere docent en ook niet iedere manager is daar toe in staat. De MLI’er kan hier een monitorende, begeleidende en coachende rol naar zijn collega’s vervullen. En het management adviseren omtrent de ontwikkeling en begeleiding voor medewerkers die hierin achterblijven, zodat het management vanuit hun positie de docenten kunnen begeleiden.

De docenten die sterk vasthouden aan pure (inhoudelijke) kennis, verliezen de mogelijkheden om bij te blijven, omdat kennis overal en altijd ruim voldoende voorhanden is. De expertise waardoor ze uniek waren verdwijnt, waarmee hun meerwaarde als docent verminderd. Wat hiervoor gezegd is over monitoring, begeleiding en ontwikkeling geldt hier onverminderd.

Angst voor verlies van identiteit bij het fuseren tot een grote schoolcampus, waarmee de typerende eigenheid van Fontys HRM zou verdwijnen. Die angst kan leiden tot verlamming en conservatieve reacties en stilstand in plaats van openheid, progressie en ontwikkeling. De rol van MLI’er kan hier zijn de begeleider van dit veranderingsproces. De “change agent” die die zorgdraagt voor acceptatie van de vernieuwing.

Opportunities (kansen)
Door differentie in niveaus, lange loopbanen en daarmee leven lang leren, wordt het potentieel aan studenten groter, waardoor de behoefte aan onderwijs blijft bestaan. Dit heeft positieve gevolgen voor het voortbestaan van de opleidingen op de schoolcampus en daarmee ook voor de werkgelegenheid van de medewerkers. Hierdoor kunnen de huidige medewerkers van Fontys HRM hun baan behouden.

Technologische ontwikkelingen zorgen er voor dat vele vormen van leren kunnen worden aangeboden, waardoor het mogelijk is de campus 24 uur per dag gedurende het gehele jaar als onderwijslocatie te benutten. De ontwikkelde goede geavanceerde digitale systemen maken het mogelijk dat docenten de lerenden continu kunnen monitoren, coachen en begeleiden en zo het onderwijsproces kunnen optimaliseren. Lerenden kunnen hun eigen studievoortgang digitaal inzien en al dan niet begeleid, actie ondernemen waardoor hun autonomie wordt erkend en bevorderd. Door het kunnen scheppen van een veilige leeromgeving en vele vormen van praktijk vlakbij de opleiding te hebben is de schoolcampus een aantrekkelijke leeromgeving. Fontys HRM kan hiervan profiteren daar zij nu reeds zich toelegt op het werkveld “binnen” de opleiding te halen. Meerdere docenten zijn in 2016 hier al mee bezig. De rol van MLI’er hier kan zijn de aanjager van het technologiegebruik binnen de opleiding. Ook hier als “change agent” om de acceptatie van vergaande technologische ontwikkelingen te accepteren.

Schaalvergroting zorgt ervoor dat investeringen die voor de Fontys HRM te groot waren, nu in breder, groter verband wel mogelijk zijn, bijvoorbeeld technologie, moderne gebouwen en voldoende grond om een campus te realiseren. De MLI’er zou hier kunnen optreden als contactpersoon. Echter de puur financiële aangelegenheden zijn niet direct werkveld en deskundigheid van de MLI’er.
De vestiging van verschillende bedrijven, instituten en andere organisaties zorgt voor een grote verrijking van het totale aanbod aan mogelijkheden voor de lerenden en daarmee ook voor concurrentie aan andere onderwijsvormen in kleinere locaties of alleen op een (externe) werkplek. Zoals al eerder vermeld kan de MLI’er hier een voortrekkersrol vervullen bij het ontwikkelen van de combinatie tussen onderwijs en werkveld. Wellicht zelfs het werven en laten vestigen van bedrijven en andere organisaties op de schoolcampus.

Door leven lang leren en dus studenten van allerlei leeftijden, niet alleen jong-volwassenen, ontstaan er heterogene onderwijsgroepen die daardoor een eigen unieke leersituatie laten ontstaan. Dit zorgt voor een bijzondere leeromgeving binnen de schoolcampus tegenover “buiten” school leren.

Threats (bedreigingen)
De (technologische) ontwikkelingen kunnen sneller gaan dan de schoolcampus kan, of wil aangaan. Gevaar is dat de technologie van het onderwijs niet meer aansluit bij die van de werkelijkheid en dat de technologische mogelijkheden door achterstand niet ten volle kunnen worden benut. Hierdoor loopt de kwaliteit van het onderwijs terug. En mogelijk kan de concurrentiepositie achteruitgaan ten opzichte van andere schoolcampussen of eventueel andere vormen van onderwijs. Rol van de MLI’er kan hier zijn de bewaking van de ontwikkeling en juiste advisering omtrent de mogelijke investeringen.

Hoewel er sterk wordt ingezet op eigen ontwikkeling en autonomie kan het zijn dat niet alle lerenden al in staat zijn om voldoende autonomie te ontplooien door hun jongere leeftijd. Daardoor kan er een kloof ontstaan tussen de jongere lerenden en de oudere lerenden die dat wel kunnen. Hier is een bewakende rol van de MLI’er mogelijk de docenten hierin te begeleiden om de kloof te voorkomen cq te verminderen.

De vraag naar docenten die vooral worden ingezet op coaching, begeleiding, monitoring en beoordeling t.b.v. certificering, kan vanwege deze specifieke competenties (geen of nauwelijks kennis expertise), groter zijn dan het aanbod, waardoor tekorten optreden en de kwaliteit van het onderwijs achteruit gaat. Een mogelijke rol van de MLI’er hier is die van ambassadeur om de aantrekkelijkheid van het werken in eens schoolcampus, specifiek de vestiging Eindhoven te benadrukken bij mogelijke (toekomstige) docenten. Tevens is het mogelijk voor het docentschap geschikte studenten te herkennen en te selecteren. De MLI’er kan hier in een vroeg stadium als contactpersoon optreden.

Er kan een tegenbeweging ontstaan die zich afzet tegen de grote schoolcampussen en daarmee een concurrentie gaat vormen. Daarmee samenhangend kan de omvang van de schoolcampus voor vervreemding zorgen waardoor de optimale leeromgeving negatief wordt beïnvloed en (school)prestaties sterk achterblijven. Ook hier kan de MLI’er een rol spelen als enerzijds ambassadeur. Anderzijds als interne monitor en begeleider van docenten bij het zorgdragen voor een goede leeromgeving die vervreemding tegengaat.

Door de technologische ontwikkelingen, waarmee de mogelijkheden ontstaat om digitaal alle onderwijs- en ontwikkelingsvormen volledig plaats – en tijdonafhankelijk te volgen, vermindert de behoefte aan schoolconstructies zoals een schoolcampus. 

Literatuur

Alle gebruikte literatuur is al eerder opgenomen in eerdere teksten.

vrijdag 26 februari 2016

SWOT analyse op basis van groepsscenario 1, eerste versie

SWOT analyse van Fontys HRM

Bij de keuze om een scenario verder uit te werken is de keuze gevallen op scenario 1: binnen school, autonoom.
In 2030 zijn er grote campussen met scholen, bedrijven, instellingen, instituten, hotels en woningen. Hier wordt onderwijs verzorgt maar met een zeer grote mate van zelfsturing en autonomie voor de lerenden. De kennismaatschappij is een feit en daarmee ook de aandacht voor de individuele ontplooiing en ontwikkeling, onder andere in de de al in 2014 genoemde 21 st century skills. Technologische ontwikkelingen hebben geleid tot vergaande digitalisering van allerlei systemen en ook van social media. Demografische ontwikkelingen hebben geleid tot afname jongeren, maar door de lange levensduur ook tot zeer lange loopbanen. Diploma’s zijn verdwenen, daar zijn portfolio’s voor in de plaats gekomen.

Strengths (Sterktes):
Momenteel richt Fontys HRM zich op de “economie van het geluk”, gericht op zelfontwikkeling en ontplooiing in plaats van (economische) vakkennis, zoals bij veel andere HRM opleidingen gebeurd. Juist de eigen ontwikkeling en de zorg voor anderen in het ontwikkelen is een kernpunt in het onderwijs van Fontys HRM. Daarmee heeft ze een voorsprong op andere opleidingen die straks zullen fuseren tot één grote schoolcampus. Die voorsprong kan ook worden ingezet als voorbeeld en als kartrekker in het ontwikkelen van een campus waarin deze gedachte, die aansluit bij de 21st century skills en leven lang leren, tot uiting komt.
Hetzelfde geldt voor de persoonlijke ontwikkeling van de studenten en coaching daarbij. Daar is nu al veel aandacht voor en expertise is al aanwezig. Deze expertise kan worden uitgebouwd op basis van de nu reeds aanwezige kennis en onderwijscultuur omtrent de persoonlijke ontwikkeling, de loopbaan kennis die al ruim voorhanden is en de onderwijscultuur die zich richt op het leven lang leren. Daarmee is het voortbestaan voor de kern van de opleiding gegarandeerd, weliswaar in een andere constructie, maar wel met een aantal van de huidige docenten.
De grote verscheidenheid aan organisaties en instituten scheppen mogelijkheden voor docenten om zich niet allen op onderwijs, in alle facetten, maar ook met daadwerkelijke toepassingen bezig te houden. En andersom, Fontys HRM staat nu ook al open voor het werkveld, dat kan straks alleen maar versterkt worden. De toekomstige campus schept de mogelijkheid om werkenden in de organisaties en instituten in te zetten in het onderwijs, zoals nu al, doch in mindere mate, gebeurd.
Docenten dragen momenteel ook zorg voor een goede en veilige leeromgeving, dit is een positief onderscheid tegenover praktijkleren in het werkveld of individueel leren. Dat is een pluspunt wat ingezet kan worden om de meerwaarde van de schoolcampus te etaleren en het voortbestaan te garanderen.
Eindhoven is een van de steden waar een grote schoolcampus zal ontstaan, nu ook al vestigingsplaats van Fontys HRM.

Weakenesses (zwaktes)
Zwakte is mogelijk in de opvattingen bij (een deel) van de docenten die vasthouden aan het door het de opleiding bepaalde leerproces in plaats van autonoom leerproces. Dat laatste vereist ook sterk loslaten in gebondenheid, niet ieder docent en ook niet iedere manager is daar toe in staat.
De docenten die sterk vasthouden aan pure kennis, verliezen de mogelijkheden om bij te blijven omdat kennis overal en altijd ruim voldoende voorhanden is, de expertise waardoor ze uniek waren verdwijnt, waarmee hun meerwaarde als docent verminderd.
Angst voor verlies van identiteit bij het fuseren tot een grote schoolcampus, waarin ook de typerende eigenheid van Fontys HRM is verdwenen. Die angst kan leiden tot verlamming en conservatieve reacties en stilstand ipv openheid en progressie en ontwikkeling.
Onhandige keuzes in strategie waardoor de noodzakelijke investeringen in de nieuwe technologie en nieuwe media niet tot hun volle recht kunnen komen en er achterstand ontstaat, hierdoor kan het te realiseren onderwijs, zeker wanneer dit strikt autonoom gericht is met toepassing van de digitale omgeving en mogelijkheden, niet worden uitgevoerd.
De lesplaats Tilburg verdwijnt.

Opportunities (kansen)
Door differentie in niveaus, lange loopbanen en daarmee leven lang leren, wordt het potentieel aan studenten groter, waarmee ook het voortbestaan wordt gegarandeerd.
Technologische ontwikkelingen zorgen er voor dat vele vormen van leren kunnen worden aangeboden waardoor het mogelijk is de campus 24 uur per dag gedurende het gehele jaar als onderwijslocatie te benutten. De ontwikkelde goede geavanceerde digitale systemen maken het mogelijk dat docenten de lerenden continu kunnen monitoren, coachen en begeleiden en zo het onderwijsproces kunnen optimaliseren. Lerenden kunnen hun eigen studievoortgang digitaal inzien en al dan niet begeleid, actie ondernemen waardoor de autonomie wordt bevorderd.
Schaalvergroting zorgt er voor dat investeringen die voor de Fontys HRM te groot waren, nu in breder, groter verband wel mogelijk zijn, bijvoorbeeld technologie, moderne gebouwen voldoende grond om een campus te realiseren.
De vestiging van verschillende bedrijven, instituten en andere organisaties zorgt voor een grote verrijking van het totale aanbod aan mogelijkheden voor de lerenden en daarmee ook voor concurrentie aan andere onderwijsvormen in kleinere locaties of alleen op een (externe) werkplek.
Door leven lang leren ontstaan er meer dan nu, heterogene onderwijsgroepen die daardoor een eigen unieke leersituatie laten ontstaan.

Threats (bedreigingen)
De (technologische) ontwikkelingen gaan sneller dan de schoolcampus kan, of wil aangaan, waardoor er achterstand wordt opgelopen op of andere schoolcampussen of andere aanbieders van “onderwijs”.
Hoewel er sterk wordt ingezet op eigen ontwikkeling en autonomie kan het zijn dat niet alle lerenden nog niet in staat zijn voldoende autonomie te ontplooien ivm hun leeftijd. Daardoor kan er een kloof ontstaan tussen de jongere lerenden en de oudere lerenden die dat wel kunnen.
De vraag naar docenten die vooral worden ingezet op coaching, begeleiding, monitoring en beoordeling tbv certificering, kan vanwege deze specifieke competenties (geen of nauwelijks kennis expertise maar begeleiding en coaching), groter zijn dan het aanbod, waardoor tekorten optreden en de kwaliteit van het onderwijs achteruit gaat.
Er kan een tegenbeweging ontstaan die zich afzet tegen de grote schoolcampussen en daarmee een concurrentie gaat vormen. Daarmee samenhangend kan de omvang van de schoolcampus voor vervreemding zorgen waardoor de optimale leeromgeving negatief wordt beïnvloed en (school)prestaties sterk achterblijven
Door de technologische ontwikkelingen, waarmee de mogelijkheden ontstaat om digitaal alle onderwijs- en ontwikkelingsvormen volledig plaats – en tijdonafhankelijk te volgen, vermindert de behoefte aan school constructies zoals schoolcampus.


maandag 22 februari 2016

feedback van Andreas Hochbrecher

Ik heb feedback gevraagd van Andreas Hochbrecher:
zie zijn antwoord hieronder:

Beste Dick,

Dank voor je vraag om feedback Je scenario is indrukwekkend. Dat is de toekomst die mij ook voor ogen staat. Nog wel een tip: Ik heb mijn werk gebaseerd op onder andere Jean-Baptise Say. Ik vind dat je dat wel moet vermelden. En inderdaad, indien individuen zelf het heft in handen kunnen nemen, kan dat alleen wanneer de middelen daartoe voorhanden moeten zijn. Precies zoals jij beschrijft.
Rest me je veel succes toe te wensen met je studie.

M vr gr

A. Hochbrecher

vier scenario's 29 feb, individuele quest 2

Mijn vier scenario's zijn aangepast, ik heb daarbij feedback van anderen, oa de feedback van Andreas Hochbrecher verwerkt.
En ik heb de feedback van A.M. Donkers van Hogeschool Zuyd verwerkt.
Met dank allen.


Hier vier scenario's aangepast 2 voor mijn onderwijstype: HBO.

Voor de verschillen moge ik verwijzen naar mijn eerdere blogposts

vrijdag 19 februari 2016

Hierbij de andere scenario's, scenario twee was voor mij, heb ook maar een drie gemaakt. Nadat ik per ongeluk ook vier had gemaakt.
Hochbrecher is gebleven :)
Scenario twee: Schoolcampus. Binnen de school gestuurd.

Janneke en Algir stappen uit de metro die ze naar de schoolcampus heeft gebracht. De grote campussen liggen vlakbij de metropolen die zijn ontstaan door de veranderingen in leefgewoontes. Door de economische recessies van 2021 is er minder geld naar onderwijs gegaan, waar het bedrijfsleven op in sprong. Dat zorgde voor een wildgroei en daarmee grote kwaliteitsverschillen in certificaten en diploma’s. Sinds 2024 heeft de overheid ingegrepen, alleen erkende scholen mochten nog door de overheid gefinancierde certificaten en diploma’s uitgeven. De veranderingen in nieuwe media heeft er voor gezorgd dat in principe altijd en overal onderwijs gevolgd kan worden. Deze ontwikkeling was gaande, maar vanaf 2026 bleek door de economische, weinig financiële middelen, en sociaal pedagogische problemen, te weinig face-to-face sociaal contact, grote voordelen te hebben onderwijs te verzorgen op een centrale locatie. Dat resulteerde in grote onderwijsorganisaties die naast een grote schoolcampus ook in kleine lokale vestigingen onderwijs aan jongere lerenden aanbieden, 4 tot 14 jaar. Op de schoolcampussen wordt alle andere onderwijs aan andere leeftijdsgroepen aangeboden. Waar vroeger nog het onderscheid was tussen MBO, HBO en universiteit is dit nu volledig weggevallen. Bij de start van het leerproces is voor de lerenden door hun coach/docent bepaald wat hun niveau, leerstijl, krachten, talenten en tekortkomingen zijn. De opleidingen gaan niet uit van de gemiddelde lerende, maar van de individuele lerende. Daarmee is het mogelijk leerroutes samen te stellen die minder niveau dan wel persoonsgebonden zijn. Docenten hebben didactische, pedagogische en socialiserende rol. Daarbij zijn ze enerzijds coach, anderzijds assessor en beoordelaar. Pure kennis is op de achtergrond geraakt door de snelle veroudering er van en doordat deze via allerlei digitale devices overal voorhanden is. Docenten zorgen ook voor een inspirerende en veilig leeromgeving. Het onderwijs wordt verzorgd via vaste programma’s en leerroutes die leiden naar de door de overheid, in samenwerking met het werkveld, vastgestelde certificaten. Een set van certificaten leidt tot een diploma. Een lerende wordt ingedeeld in één van de vele leergroepen, met dezelfde leerbehoeftes. Omdat de lange actieve loopbanen het leven lang leren noodzakelijk maken loopt de leeftijd van die groepen op de campus zeer uiteen, van 14 tot 65 jaar. Lerenden kunnen via digitale systemen hun kennis eigen maken, maar in hun programma is ook opgenomen dat zij stage lopen bij de op de schoolcampus aanwezige bedrijven en organisaties. Zo ook Janneke en Algir, Op hun devices hebben ze het rooster voor een periode en vandaag dag wordt dit aan hen doorgeven. Beiden hebben vandaag praktijk les, waarbij ze digitaal worden gemonitord door hun coach.

Algemeen Scenario 3: buiten school, autonoom
Anouk logt in op haar personal device. Met haar zestig jaar moet ze nog minstens twaalf jaar werken. Ze maakt gebruik van de mogelijkheden die haar werden geboden. Ze stelt zelf haar programma samen en kan dat overal uitvoeren, soms in samenwerking met leergemeenschappen, die een samenwerking vormen tussen overheid, particulieren en het werkveld. Daartoe heeft ze een door de overheid toegekend persoonlijk budget. Nadat in 2020 de Duitse filosoof-pedagoog Andreas Hochbrecher zijn baanbrekende werk geschreven had: Über das Lernen hinaus, waarin hij aantoont dat leren overal moet en nodig is om de maatschappij en zichzelf gezond te houden. Onder druk van de daaropvolgende brede maatschappelijke beweging, heeft de overheid in 2024 besloten om niet meer de opleidingen te financieren, maar iedere inwoner een geoormerkt budget te geven voor ontwikkeling, een vast bedrag per jaar, gedurende het hele leven. Voor het primair onderwijs veranderde er weinig, scholen bleven voor veel ouders de beste keuze, hoewel ook daar de lerenden niet alleen meer op de schoollocatie onderwijs genieten, maar voor veel onderdelen ook buiten die locatie hun programma volgen. Maar voor het voortgezet onderwijs en zeker de Mbo’s en Hbo’s waren de veranderingen dramatisch. Mede door de grote technologische ontwikkelingen, waardoor technisch enorm veel mogelijk was, de demografische ontwikkelingen waardoor het aantal jongeren afnam en mensen langer leefden, was er veel behoefte het door Hochbrecher (2020) aangetoonde Persönliches Lebenslanges Lernentwikkelung. Eerder auteurs noemden dit ook wel Bildung (Biesta, 2014; Reijngoud, 2013). In op het nu zogeheten jongeren onderwijs, vroegere basisscholen, wordt de lerende in staat gesteld via digitale media en digitale sociale platvormen de eigen talent ontwikkeling vorm te geven, waarbij er nog steeds grote aandacht is voor de 21 st century skills (Thijs, Visser, & Van der Hoeven, 2014). Na het afsluiten van het jogneren programma volgen lerenden onder coaching en begeleiding van hun docenten hun eigen route, uitmondend in een digitaal portfolio. Voor de leerroute wordt gebruik gemaakt van bedrijven, instellingen en vrijwilligersorganisaties. De lerenden krijgen daarbij ondersteuning van docenten, die hen al dan niet op afstand via digitale middelen begeleiden. De rol van docent is bij de aanvang van het leerproces meer sturend, later wordt dat veelal een coachende en begeleidende rol. Anouk stelt samen met de docent haar leerbehoefte vast en kiest een leerroute die bij haar past. Daarbij begeleid door haar docent, die niet meer die rol heeft zoals in 2015, de deskundige, maar vooral begeleider wordt. De eigen verantwoordelijkheid voor het leerproces () en werken met uitdagende en gerichte leerdoelen (Locke, & Latham, 2002) blijkt bijzonder succesvol te zijn. Ook voor Anouk, die zich klaarmaakt om met de automatische shuttle naar haar leerplek voor die dag te gaan.


woensdag 17 februari 2016

Scenario 4

Scenario vier: buiten school, gestuurd


Tjachka stapt in de automatische elektrische auto die hem naar zijn leerplek brengt, samen met twee andere lerenden. Door middel van uitgebreide testen en DNA onderzoek is het basisprofiel voor hem vastgesteld. Op basis hiervan heeft hij met de docent zijn programma vastgesteld, waarbij voor hem uitdagende doelen sturend zijn (Locke, Latham, 2002). Naast de door de overheid vastgestelde profielen die al in 2015 vastgestelde onderdelen van de 21 st centery skills bevatten, heeft Tjachka een door de docent opgezet lesprogramma waarbij er van zijn individuele niveau, leerstijl en voorkennis wordt uitgegaan. Hierbij wordt ook gekeken naar wat de huidige kennismaatschappij vraagt. Tjachka zal zeker tot zijn 75e moeten werken, in het leven lang leren concept kan hij zijn basisprofiel nog wel wijzigen. In 2018 is een enorme  ontwikkeling geweest in het opzetten van digitaal onderwijs. In de loop der jaren is dit verder verbeterd en uitgewerkt waardoor het al enkele jaren via “in cloud community” mogelijk is om gepersonaliseerd onderwijs op alle niveaus volledig plaats- en e te volgen. Dit heeft er voor gezorgd dat de overheid en werkveld samen besloten hebben de ouderwetse scholen vrijwel geheel op te heffen en daarvoor in de plaats kleinere eenheden, nauw verbonden met het werkveld op te zetten. Zelfs voor de allerjongsten bleek dit concept vanaf 2025 goed te werken, nadat men de kinderziektes had overwonnen. Docenten zijn vrijwel allen Zzp’ers die in verschillende verbanden onderwijs verzorgen. Overheid heeft samen met het werkveld profielen opgezet waarbij lerenden deze kunnen volgen en via een vastgesteld examen tot certificering kunnen komen. Via allerlei devices en gedigitaliseerde systemen heeft Tjacka persoonlijk onderwijs gevolgd. Eerst thuis, later op verschillende plekken, afhankelijk van zijn programma, thuis, op leerervaringsplaatsen, in groepen op digitale platvormen enz. De docent volgt zijn lerenden door een digitaal studenten volgsysteem waarbij hij automatisch van afwijkingen van de ingegeven leerroute op de hoogte wordt gesteld. Hij heeft dagelijks contact met zijn lerenden om deze te begeleiden en zo nodig bij te sturen. Tjachka kan daarna individueel of in groepen zijn leerprestaties verbeteren door gebruik te maken van alle digitale mogelijkheden die er tegenwoordig zijn. Tjachka komt aan op zijn leerplek, een tijdelijke ervaringsplaats waar hij zijn kennis en kunde in de praktijk kan toepassen. Hij wordt begeleid door zijn lesrobot, een drone, die hem monitort. Hij maakt zijn opdrachten af en krijgt van zijn praktijkbegeleider en zijn lesrobot onmiddellijk feedback en aanpassingen. Deze worden ook doorgegeven aan zijn docent. Na een succevolle dag stapt Tjachka in de automatische auto de hem weer thuisbrengt. Volgende week volgt hij een ander programma op een andere lesplaats, dan bij een bedrijf in nanodrones. Zijn docent heeft hem in zijn portfolio al de nodige informatie; rooster, inhoud, eisen doorgegeven. De komende week hoeft hij alleen in de auto die voor zijn deur stopt te stappen waarna hij op de goede plek wordt afgezet. 

zondag 24 januari 2016

Trends en drijvende krachten

Mijn eerste aanzet van mijn individuele stuk is klaar:
hier te vinden als link want het blog maakt van mijn mooie Wordbestand een zoekpuzzel:
 drijvende krachten

Gelukkig hebben we een challence team: Back to the future. Zonder hen had ik nu nog gezocht naar wat trends zijn, tegentrends, drijvende krachten en wat niet. Bijeenkomen en er samen over nadenken en "kennisdialogen" opzetten (lang leve LA3) werkt.
En door de "drijvende veren" komen we er allemaal wel.

zondag 17 januari 2016

Trends en ontwikkelingen deel twee

Trends en drijvende krachten, 17 jan 2016

Hoe heb ik dit aangepakt?
Ik ben begonnen met het lezen van de verschillende artikelen, heb op internet gezocht en ben bij mijzelf nagegaan: wat vind ik nu belangrijk? Waar word ik door getriggerd? In positieve of in negatieve zin. Na meerdere en verschillende artikelen gelezen te hebben, op internet gezocht te hebben en erover gereflecteerd te hebben, kwam ik tot de conclusie dat optimistische ontwikkelingen evengoed bestaansrecht hebben als negatieve ontwikkelingen. En beiden spreken mij aan: wat is een mooi scenario, waar is de postivieve toekomst evenzeer als: wat is het doemscenario, waar zou ik van wakker kunnen liggen?
Trends zijn momenteel waarneembare, min of meer langdurige, maatschappelijke ontwikkelingen of veranderingen die van invloed zijn op de (nabije) toekomst. Binnen de ontwikkelingen is er onderscheid te maken in meer algemeen maatschappelijke ontwikkelingen die voor vrijwel iedereen gelden. En meer specifieke maatschappelijke ontwikkelingen, die meer voor bepaalde groepen of situaties gelden.
Drijvende krachten zijn meer algemeen maatschappelijke ontwikkelingen, die vaak ten grondslag liggen aan andere trends, waarvan de richting en impact nog niet geheel duidelijk zijn en waarbij daarom de toekomstvoorspelling lastig is. Daarmee is er een zekere duidelijkheid, maar dat er overlap is en dat het onderscheid niet altijd even groot is, maakt een strak afgebakend definitie vrijwel onmogelijk.
Welke trends en drijven krachten komen af op het onderwijs in het algemeen en welke op het HBO onderwijs in het bijzonder?
1.1 Algehele  ontwikkelingen
Om dat te onderzoeken schets ik eerst een algemeen beeld via de DESTEP analyse. Daarbij breng ik de algemeen maatschappelijke situatie in beeld. Daarbinnen worden de voor het onderwijs belangrijke trends verder uitgewerkt.
DESTEP staat voor: demografische; economische; sociaal-culturele; technologische; ecologische en politieke ontwikkeling. Oorspronkelijk bedoeld voor marketing is dit model ook hier bruikbaar.
De demografische ontwikkelingen zijn duidelijk. De bevolking in Nederland vergrijst, er worden minder kinderen geboren. De levensverwachting stijgt aanzienlijk, hoewel de gemiddelde gezondheid niet volledig meestijgt. Gevolg van de vergrijzing en toegenomen leeftijdsverwachting is wel dat de lengte van productieve jaren meer (veel?) zal zijn dan nu het geval is. Daarbij komt dan de vraag naar leven lang leren weer aan de orde (Kessels, 2013; Ritsema van Eck, Van Dam, De Groot & De Jong, 2013). De pensioenleeftijd verschuift als gevolg van deze ontwikkelingen. De verwachting is dat in 2030 24 % van de bevolking ouder is dan 65 jaar ( Piljic, z.d. 1). Echter door de leeftijdsontwikkeling en achterblijvende geboortes wordt het potentieel leerlingen en studenten fors geringer. In de periferie van Nederland zal het bevolkingsaantal waarschijnlijk het meest dalen. De Randstad heeft hier veel minder mee te maken.  Wel is er een groei van de steden in geheel Nederland en een afname van de betekenis van de landelijke gemeenten (Ritsema van Eck, Van Dam, De Groot & De Jong, 2013).  De verwachting is dat de bevolking, op basis onder van immigratie, zal groeien tot 2040 (Ritsema van Eck, Van Dam, De Groot & De Jong, 2013). Niet geheel duidelijk is of de immigratie aanhoudt zoals de laatste jaren of afneemt. Hier zijn twee scenario’s. Het ene voorspelt een grote mondiale emigratie als gevolg van droogte, armoede en oorlog. Hierdoor zullen grote stromen vluchtelingen blijven bestaan, met een grote invloed op de demografie. Het andere scenario voorspelt een steeds betere verdeling van de welvaart, beheersing van  klimatologische veranderingen en beheersing van oorlog en brandhaarden. Nogal optimistisch maar hierdoor zullen grote migraties voorkomen kunnen worden.
De economische ontwikkelingen zijn moeilijker te voorspellen. Nederland is een welvarend land, maar heeft weinig natuurlijke reserves of delfstoffen. Daarmee is Nederland dan ook economisch afhankelijk van andere landen. Waardoor de Nederlandse economie volledig afhankelijk is van de wereldeconomie. Volgens de overheid ligt de economische toekomst van Nederland ook meer bij handel, dienstverlening, innovatie en kennis dan bij de industrie (Ros, Anje,  persoonlijke communicatie 11 januari 2016). Dat houdt in dat een grote inspanning nodig is cq blijft om in staat te zijn aan die toekomst te voldoen. Een realistische kijk is wel belangrijk. Hoewel er grote ontwikkelingen zijn en Nederland aan de vooravond staat van deze toekomst, is ook de maakindustrie en technische dienstverlening momenteel en ook in de nabije toekomst noodzakelijk. Tenslotte dienen er huizen gebouwd moeten worden, weg- en wateronderhoud, infrastructuur moet worden aangelegd en onderhouden en de agrarische sector blijft van groot belang. Een minimum aan technische en agrarische kennis en kunde is en blijft noodzakelijk. Maar de vraag daarnaar is te gering om de werkgelegenheid te garanderen. En zal ook niet in staat zijn op de markt van globalisering of mondialisering een grote rol te spelen. Maar Nederland is afhankelijk van wat buiten Nederland zich afspeelt. Ook hier zijn er twee tegenover elkaar staande verwachtingen: De economie zal wel groeien, maar door verschillende krachten, zoals het klimaat, ecologie en arm- rijk tegenstellingen, respect voor gebruik van grondstoffen en bezinning op de grondwaardes in het leven, zal het economisch niet meer zo goed gaan als ooit geweest en is de drang daarnaar ook minder. Daar tegenover staat de opvatting dat economische groei waarvan het einde mondiaal nog lang niet is bereikt, nog lang zal standhouden.
Sociaal-culturele ontwikkelingen zijn in een stroomversnelling geraakt. De oude waarden en normen in de Nederlandse samenleving zijn niet meer voor iedereen even vanzelfsprekend. De instroom van vluchtelingen, de tweede en derde generatie allochtonen, de invloed van andere opvattingen uit de andere werelddelen, de ontkerkelijking en de islamisering zorgen voor een verschuiving van de opvattingen. Welke kant dat opgaat? In ieder geval is nu duidelijk een tendens van polarisatie maar tegelijkertijd van verzoening en toenadering te onderscheiden. Een andere ontwikkeling, gepaard gaande met demografische ontwikkeling, is de opvatting over de rol en plaats van arbeid in het leven (Ritsema van Eck, Van Dam, De Groot & De Jong, 2013).   Tot de jaren zestig van de vorige eeuw was arbeid noodzakelijk en hoorde bij het leven. In de tussenliggende jaren tot 2010 is er een verschuiving opgetreden naar meer vrije tijd en bevrediging zoeken buiten arbeid. Zie ook de Vut leeftijd van 57 jaar. Terwijl de laatste jaren er een ontwikkeling is naar arbeid over een langere periode in het leven, meer dan nu maar met een duidelijk hang naar evenwicht tussen werk en privé. Meer dan voorheen zijn de oude opvattingen over een baan voor het leven gewijzigd in het ontwikkelen van nieuwe vormen van arbeidsrelaties. De toename van het aantal ZZP’ers is daar een voorbeeld van (ING, 2013) komt “het leven lang leren” weer op de agenda (Brief aan de tweede kamer, Toekomstgericht funderend onderwijs, 17 november 2014).
Technologische ontwikkelingen gaan heel hard. En de ontwikkelingen gaan steeds sneller. Vooral de ICT ontwikkelingen blijken voortdurend sneller te gaan. Maar ook de medische ontwikkelingen, van invloed op de levensverwachting en algemeen gezondheid gaan snel. De invloed van de technologie op het dagelijks leven wordt groter. Robotisering neemt steeds sneller toe en er is een integratie van velerlei kunstmatige “intelligentie” in dagdagelijkse gebruiksvoorwerpen. (Kessels, 2013). En door de nieuwe technologie verdwijnt een groot deel ban het bestaande werk.  De nieuwe technologie leidt ook tot een verschuiving in het gebruik van media, nieuwe media en daarmee nieuwe omgangsvormen en vormen van sociaal contacten veranderen. Maar ook zorgen de technologische ontwikkelingen voor een volledig nieuwe informatie stroom inclusief een enorme toename van digitale communicatie. Dat heeft grote gevolgen voor de opvattingen over arbeid en arbeidsrelaties en voor het organiseren van die arbeid: van tijd- en plaatsgebonden naar grote vrijheid (Stegeman, zd). De technologie heeft eveneens grote gevolgen voor het onderwijs, (Brief aan de tweede kamer, Toekomstgericht funderend onderwijs, 17 november 2014).
Ecologie wordt als steeds belangrijker beschouwd. De opvatting dat er ongebreidelde resources zijn, is achterhaald. Meer en meer is er aandacht voor milieuverontreiniging, verantwoord omgaan met natuurlijke bronnen, aandacht voor duurzaam produceren en consumeren en aandacht voor het menselijke milieu: arbeid. Maar tegelijkertijd blijken deze opvattingen mondiaal niet gedeeld te worden. Een helaas sprekend voorbeeld daarvan is het mijn of meer mislukken van de wereldmilieu top. Echte vergaande maatregelen zijn achterwege gebleven. Helaas heeft de klimaatverandering wel grote gevolgen. Op veel plekken in de wereld is er sprake van grote en langdurige droogte terwijl op andere plekken zware en hevige regenbuien deze gebieden teisteren met overstromingen tot gevolg. Het wereld klimaat verschuift. Zuid-Europa heeft al een Noord-Afrikaans klimaat en Noord-Frankrijk heeft een klimaat met Mediterrane eigenschappen. Ook in Nederland is de wijziging merkbaar. Nederland heeft de economische en technologische mogelijkheden hier nog mee om te gaan. Maar een deel van de migratie uit Afrika en het Midden-Oosten naar Europa is ook ontstaan als gevolg van de langdurige droogte. Deze dwong boeren naar de steden, die hierop niet waren berekend en armoede en daarmee maatschappelijke onvrede was een gevolg. Een goede voedingsbodem voor de onrust in dat gebied. Natuurlijk speelt er in de migratiegebieden veel meer, maar klimaatverandering is zeker een oorzaak. Voor Nederland geldt in ieder geval dat steeds meer mensen zich bezinnen op het ongebreideld consumptisme en de ecologisch negatieve gevolgen daar van. Duurzaamheid wordt daarmee steeds belangrijker.
Politieke ontwikkelingen in Nederland. Ook hier zijn verschillende ontwikkelingen herkenbaar. De decentralisatie van bevoegdheden en verantwoordelijkheden legt een claim op de lagere overheden, maar brengt de verantwoordelijkheid ook dichter bij het individu. Ook in het onderwijs. De van bovenaf opgelegde regulering zal verminderen. Er is meer ruimte voor regionale of zelfs individuele ontwikkeling. (Kennisbank Directoraat-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties, zd)
1.2 Trends inventarisatie
Er worden door verschillende auteurs vele trends genoemd, afhankelijk van welke achtergrond of insteek die de auteurs hebben. Een aantal van deze trends is meer of minder direct te koppen aan het onderwijs.
Een inventarisatie op internet (met zoektermen:  trends; maatschappelijke ontwikkelingen; onderwijs in de toekomst) levert een aantal trends op. Niet alle trends zijn al even zichtbaar. Sommige zijn al duidelijk te herkennen, voor anderen geldt dat zij net waarneembaar zijn. Bij de DESTEP zijn  ook trends en ontwikkelingen al genoemd, maar een deel neem ik hier in het overzicht opnieuw mee. De meest voorkomende som ik hier op( Berends, 2015; Beschuyt (red.) 2013; Kelderman, Hendrikse & Geerding, 2014; Kessels, 2013; Stegeman, zd; Meyer, 2015; Ouden den, Valkenburg & brok den, 2014; Piljic zd; Roodhart, 2015; Smit 2015)Demografische ontwikkeling: waaronder ook vergrijzing, grotere diversiteit, multicultirisering
·         Technologische ontwikkelingen: waaronder ook ict ontwikkelingen en robotisering
·         Mondialisering of globalisering
·         Ecologisering: waaronder ook duurzaamheid
·         Klimaatveranderingen
·         Gelijkheid en ongelijkheid
·         Nieuwe media
·         Ander curriculum
·         Maatschappelijke onrust
·         Individualisering
·         Dematerialisering
·         Kennisdevaluering
·         Mobiliteit: sociaal, geografisch

Ook de overheid signaleert trends, direct gericht op Nederland, los van bovenstaand overzicht zij noemt ook (Brief aan de tweede kamer, Toekomstgericht funderend onderwijs, 17 november 2014):
·         Ont-idustrialisering
·         Regionale verschillen
·         Participatie maatschappij
·         21 th century skills
·         Arbeidsrelaties: naar zzp’er
·         Leven lang leren

Specifiek voor het onderwijs kunnen dan in ieder geval worden genoemd:
·         Ander curriculum
·         Kennisdevaluering
·         21 th century skills
Maar ook ontwikkelingen als:
·         Ontscholing (letterlijk het gebouw)
·         Variatie in diploma’s
·         Verdwijnen monopolie van kennisoverdracht

De vraag is nu natuurlijk op welke wijze kies ik de trends die het meest opmerkelijke invloed hebben op het onderwijs in 2030? Er zijn zo veel trends dat dit niet eenvoudig is. Een van de criteria om te kiezen is: in hoeverre heeft de trend vrijwel direct invloed op de sector onderwijs. Bijvoorbeeld klimaatverandering en daarmee bedreiging van de eerste levensbehoeften (grote droogte leidt tot mislukte oogsten) kan zeker leiden tot migratie van grote groepen mensen over de gehele wereld, hetgeen nog wordt versterkt door de grote ongelijkheid in inkomen en welvaart. Zelfs basale levensbehoeften, die zeer wisselend verdeeld zijn in de wereld en kunnen leiden tot migratie. Echter direct heeft dit geen invloed op het onderwijs. Indirect overigens waarschijnlijk wel.
Ik heb de keuze beperkt tot die bredere ontwikkelingen die naar mijn mening het meest van invloed zijn voor 2030 voor het onderwijs. En waarbij sommige trends ook zijn gekoppeld aan elkaar.
Bijvoorbeeld het verdwijnen van het schoolgebouw heeft ook te maken met de devaluatie van kennis, die in een aantal situaties zeer snel verouderd, de digitalisering, de 21th century skills (ander curriculum), ICT ontwikkelingen  en nieuwe media.
Dat betekent dat meerdere trends onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.
De keuze wordt dan:
·         Curriculum, waarbij onder andere de 21th century skills, technologische ontwikkelingen, kennisdevaluatie en nieuwe media van invloed zijn.
·         Variatie in diploma’s, waarbij ook individualisering (in positieve zin: talentontwikkeling) en gelijkheid en ongelijkheid van invloed zijn.
Deze trends worden op hun beurt weer beïnvloed door bredere maatschappelijke ontwikkelingen die wellicht nu nog minder zichtbaar en zeker nog minder voorspelbaar zijn. Ook nu zijn er vele ontwikkelingen te vinden bij verschillende auteurs. Echter zijn trends nog enigszins waarneembaar en “bewijsbaar”, dat ligt voor deze ontwikkelingen minder duidelijk. Toch kunnen sommige hiervoor genoemde trends worden gezien als bredere maatschappelijke ontwikkeling. In de terminologie van LA4: drijvende krachten.
De twee drijvende krachten die voor mij van belang zijn voor het HBO zijn:
Dematerialisering: De vraag is in hoeverre de economische ontwikkelingen zoals die de afgelopen decennia zijn geweest met de nadruk op materialistisch groei, nog gestand kan houden. De grenzen aan de economie, gebruik grondstoffen, verdeling van arm en rijk zijn wellicht bereikt. Duurzaamheid, ook persoonlijke duurzaamheid waarmee wordt bedoeld de eigen inzetbaarheid, krijgt daarmee een belangrijke betekenis( Piljic; Stegeman). Groei moeten we dan zoeken in de “economie van het geluk” in plaats van de economie van materialisme. Dat houdt ook in een andere kijk op wat belangrijk is in het leven en in de wijze waarop hier invulling aan wordt gegeven (Economie van het geluk).

Ontscholing: hierbij is de vraag of in de toekomst scholen met de monopolie van kennisoverdracht en vaardigheden ontwikkeling in deze vorm nog bestaan. Kennis is op veel plekken te halen, nieuwe media doen hun intrede, leren wordt meer en meer plaats- en tijdonafhankelijk. De rol van de docent gaat wijzigen (Beschuyt, red, 2013; Kessels, 2013; Brief aan de tweede kamer: Toekomstgericht funderend onderwijs, 2014).



Literatuurlijst
Beschuyt, P. (red.) (2013). De school – Een aantrekkelijke plek voor leren en werken in 2030? Koning Boudewijn Stichting.
Bouwen, G., (red) (2014) De nieuwe school in 2030: Hoe maken we leren en werken aantrekkelijk? Koning Boudewijn Stichting.
Brief aan de tweede kamer: Toekomstgericht funderend onderwijs (2014): file:///C:/Users/303975/Downloads/kamerbrief-over-toekomstgericht-funderend-onderwijs.pdf, geraadpleegd: 13 januari 2016
Economie van het geluk (nog verwijzen)
Eck, J., van, Dam, F., van,  Groot, C. de en Jong, A. de (2013). Demografische ontwikkelingen 201-2040. Ruimtelijke effecten en regionale diversiteit. Planbureau voor de leefomgeving; Den Haag.
ING Economisch Bureau (2013). Zzp’er optimistischer over 2013. https://www.ing.nl/media/ING_MKB-Economisch-bureau-februari-2013_tcm162-72024.pdf. Geraadpleegd 14 januari 2016.
Kelderman, H. Hendrikse, P., en Geerding, B. (2014)Trendrapport 2014-2015. Technologie Kompas voor het onderwijs. https://www.kennisnet.nl/fileadmin/kennisnet/publicatie/trendrapport/Trendrapport_2014-2015.pdf geraadpleegd 14 januari 2016.
Kessels, J. (2013) Toekomst van onderwijs in Vlaanderen. Koning Boudewijn Stichting.
Kennisbank Directoraat-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties. http://kennisopenbaarbestuur.nl/thema/trends-en-ontwikkelingen, geraadpleegd 16 januari 2016
Meyer, D. (2015) Onderwijs in 2030, een andere wereld. Hogeschool Arnhem en Nijmegen.
Ouden, den, E., Valkenburg, R en Brok, den, P., (2014) Leren in Eindhoven 2030. Visie en roadmap voor de toekomst van educatie. Lighthouse at TU/e; Eindhoven
Roodhart, H (2015) http://www.marketingonline.nl/blog/maatschappelijke-trends-voor-de-toekomst geraadpleegd 14 januari 2016.
Smit, G. (2015)  http://www.dutchcowboys.nl/technology/zijn-we-klaar-voor-de-toekomst, geraadpleegd 12 januari 2016






donderdag 14 januari 2016

Trends en drijvende krachten

·Trends en drijvende krachten, 14 jan 2016

Hoe heb ik dit aangepakt?
Ik ben begonnen met het lezen van de verschillende artikelen, heb op internet gezocht en ben bij mijzelf nagegaan: wat vind ik nu belangrijk? Waar word ik door getriggerd? In positieve of in negatieve zin. Na meerdere en verschillende artikelen gelezen te hebben, op internet gezocht te hebben en erover gereflecteerd te hebben, kwam ik tot de conclusie dat optimistische ontwikkelingen evengoed bestaansrecht hebben als negatieve ontwikkelingen.

Welke trends en drijven krachten komen af op het onderwijs in het algemeen en welke op het HBO onderwijs in het bijzonder?
Onder trends versta ik: momenteel waarneembare, min of meer langdurige maatschappelijke ontwikkelingen of veranderingen die van invloed zijn op de (nabije) toekomst. Drijvende krachten zijn meer algemeen maatschappelijke ontwikkelingen, die vaak ten grondslag liggen aan trends, waarvan de richting en impact nog niet geheel duidelijk zijn en waarvan de toekomstvoorspelling lastig is. Erg duidelijk is dat onderscheid niet altijd. Drijvende krachten kunnen kenmerken hebben van trends. 

Er worden door verschillende auteurs vele trends genoemd, afhankelijk van welke achtergrond of insteek die de auteurs hebben. Soms hebben deze trends meer de kenmerken van drijvende krachten, soms zijn het echte trends die al herkenbaar zijn in de maatschappij. Een aantal van deze trends is meer of minder direct te koppen aan het onderwijs. Omdat drijvende krachten een algemener karakter hebben is een directe koppeling met onderwijs minder eenduidiger.

Een korte inventarisatie op internet (met zoektermen: trends; maatschappelijke ontwikkelingen; onderwijs in de toekomst) levert een aantal trends op. Niet alle trends zijn al even zichtbaar. Sommige zijn al duidelijk te herkennen, voor anderen geldt dat zij net waarneembaar zijn. De meest voorkomende som ik hier op:
·         Demografische ontwikkeling: waaronder ook vergrijzing, grotere diversiteit, multicultiralisering
·         Technologische ontwikkelingen: waaronder ook ict ontwikkelingen en robotisering
·         Mondialisering of globalisering
·         Ecologisering: waaronder ook duurzaamheid
·         Klimaatveranderingen
·         Gelijkheid en ongelijkheid
·         Nieuwe media
·         Ander curriculum
·         Maatschappelijke onrust
·         Individualisering
·         Dematerialisering
·         Kennisdevaluering
·         Mobiliteit: sociaal, geografisch

Ook de overheid signaleert trends, direct gericht op Nederland, los van bovenstaand overzicht zij noemt ook:
·         Ont-idustrialisering
·         Regionale verschillen
·         Participatie maatschappij
·         21 th century skills
·         Arbeidsrelaties: naar zzp’er
·         Leven lang leren

Specifiek voor het onderwijs kunnen dan in ieder geval worden genoemd:
·         Ander curriculum
·         Kennisdevaluering
·         21 th century skills
Maar ook ontwikkelingen als:
·         Ontscholing (letterlijk het gebouw)
·         Variatie in diploma’s
·         Verdwijnen monopolie van kennisoverdracht

De vraag is nu natuurlijk op welke wijze kies ik de trends die het meest opmerkelijke invloed hebben op het onderwijs in 2030? Er zijn zo veel trends dat dit niet eenvoudig is. Een van de criteria om te kiezen is: in hoeverre heeft de trend vrijwel direct invloed op de sector onderwijs. Bijvoorbeeld klimaatverandering en daarmee bedreiging van de eerste levensbehoeften (grote droogte leidt tot mislukte oogsten) kan zeker leiden tot migratie van grote groepen mensen over de gehele wereld, hetgeen nog wordt versterkt door de grote ongelijkheid in inkomen en welvaart. Zelfs basale levensbehoeften, die zeer wisselend verdeeld zijn in de wereld.
Ik heb de keuze beperkt tot die bredere ontwikkelingen die naar mijn mening het meest van invloed zijn voor 2030 voor het onderwijs. En waarbij sommige trends ook zijn gekoppeld.
Bijvoorbeeld het verdwijnen van het schoolgebouw heeft ook te maken met de devaluatie van kennis, die in een aantal situaties zeer snel verouderd, de digitalisering, de 21th century skills (ander curriculum) nieuwe media.
Dat betekent dat meerdere trends onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden.
De keuze wordt dan:
·         Ander curriculum, waarbij zijdelings onder andere de 21th century skills, technologische ontwikkelingen, kennisdevaluatie en nieuwe media van invloed zijn.
·         Variatie in diploma’s, waarbij zijdelings ook individualisering (in positieve zin: talentontwikkeling) en gelijkheid en ongelijkheid van invloed zijn.
Deze trends worden op hun beurt weer beïnvloed door bredere maatschappelijke ontwikkelingen die wellicht nog wat minder zichtbaar, maar zeker nog minder voorspelbaar zijn. Ook nu zijn er vele ontwikkelingen te vinden bij verschillende auteurs. Echter zijn trends nog enigszins waarneembaar en “bewijsbaar”, dat ligt voor deze ontwikkelingen minder duidelijk. Toch kunnen sommige hiervoor genoemde trends worden gezien als bredere maatschappelijke ontwikkeling. In de terminologie van LA4: drijvende krachten.
De twee drijvende krachten die voor mij van belang zijn voor het HBO zijn:
Dematerialisering: De vraag is in hoeverre de economische ontwikkelingen zoals die de afgelopen decennia zijn geweest met daarbij de nadruk op materialistisch groei nog gestand kan houden. De grenzen aan de economie, gebruik grondstoffen, verdeling van arm en rijk zijn wellicht bereikt. Groei moeten we dan zoeken in de “economie van het geluk” in plaats van de economie van materialisme. Dat houdt ook in een andere kijk op wat belangrijk is in het leven en in de wijze waarop hier invulling aan wordt gegeven.

Ontscholing: hierbij is de vraag of in de toekomst scholen met de monopolie van kennisoverdracht en vaardigheden ontwikkeling in deze vorm nog bestaan. Kennis is op veel plekken te halen, nieuwe media doen hun intrede, leren wordt meer en meer plaats- en tijdonafhankelijk. De rol van de docent gaat wijzigen.